Wachtpost
We kunnen er niet onderuit: waakzaamheid is geboden.
65 jaar na de vreselijkste oorlog die de mensheid ooit teisterde, zijn het onrecht, de ongelijkheid, de onverdraagzaamheid, het onbegrip, ja zelfs de rassenhaat niet uit de wereld. Zowat overal duiken steeds nieuwe tirannen en kleine hitlers op die hun eigen volk misleiden en hun machtswellust willen botvieren. Ze slagen er ook in een aantal blinde volgelingen achter zich te scharen om hun snode plannen te verwezenlijken.
Ook in eigen land steekt het fanatisme opnieuw de kop op. De geschiedenis leert waar dit ons naartoe kan leiden. We dienen er zorg voor te dragen dat het offer van zo velen niet vergeefs is geweest.
Opinie
- 14.06.2010 - Opinie (18) - <Surrealistisch!>
- 31.05.2010 - Opinie (17) - Schoon Schip
- 30.12.2009 - Opinie (16) - De boodschap
- 21.11.2009 - Opinie (15) - De president
- 31.12.2008 - Opinie (14) - Een nieuwe start
- 19.07.2008 - Opinie (13) - Het Ultimatum
- 07.06.2008 - Opinie (12) - Radicalisering, halverwege
- 10.05.2008 - Opinie (11) - Vlaamse Pyrrusoverwinning
- 28.02.2008 - Opinie (10) - Borrelhapjes
- 05.12.2007 - Opinie (9) - Het menu / De vertrouwensbreuk
- 28.08.2007 - Opinie (8) - De kern van de ‘crisis’
- 23.07.2007 - Opinie (7) - De Brabançonne
- 01.05.2007 - Opinie (6) - BELGIE BLIJFT
- 07.03.2007 - Opinie (5) - PRINSES ASTRID
- 19.02.2007 - Opinie (4) - NATIONALE KIESKRING de weg naar unitaire democratie
- 03.02.2007 - Opinie (3) - PRINS FILIP OP DE KORREL
- 13.01.2007 - Opinie (2) - Smaad aan het Koningshuis, Schade aan de Natie
- 05.01.2007 - Opinie (1) - VILLA CLEMENTINE
Kerstboodschap 2006
VLAANDEREN ‘ONAFHANKELIJK’:
EEN ‘TIPJE’ van ABSURDISTAN
De ‘docu-fictie’ van de RTBF ‘La Une’ heeft op 14 december jl. de meerderheid van onze landgenoten een koude rilling bezorgd. ‘Vlaanderen heeft zich eigenmachtig onafhankelijk verklaard’ zo luidde het. Het was tegelijk leuk en tragisch, karikaturaal en doodernstig, absurd en relevant. Ik zal er niet veel woorden aan verspillen, het was wat het was: een overigens knap geregisseerd doemscenario van de afbraak van ons voorspoedig vaderland en van de miskraam van Absurdistan. Eén ding is zeker: het heeft een schokgolf veroorzaakt bij de ‘zwijgende meerderheid’, het heeft slapende geesten wakker geschud. Waar zijn we mee bezig?
Onze overgrootouders hebben in 1831 Leopold van Saksen-Coburg uit Engeland tot bij ons gehaald; hij stak het Kanaal over op een scheepje (de chunnel bestond toen nog niet), landde in Calais en kwam ons landje binnen over het strand van De Panne. Hij werd er door het Nationaal Congres op democratische wijze bij geroepen om België op de Europese kaart te brengen en zorg te dragen voor de eenheid van ons vaderland. Hij stond in voor de consolidatie van de Belgische onafhankelijkheid. Onlangs gingen stemmen op (vanuit de woestijn) om de nazaat van Leopold I het zwijgen op te leggen. Waar zijn ze mee bezig?
Een vriend schonk mij deze week een afdruk van een landkaart van het oude Vlaanderen (500 à 600 n.Chr.) van Nicasius Fabius. Het Vlaanderen van toen zag er helemaal anders uit. Echte ‘grenzen’ waren er nog niet. Het gebied werd toen grosso modo begrensd, ten oosten en ten zuiden door de Scaldis (Schelde) en ten westen door de Samara (Somme). De Noordzee heette Mare Germanicum en onze Vlaamse kust Littum Saxonicum. Het huidig Kanaal werd Fretum Belgicum genoemd. Camaracum (het huidige Cambrai) was de meest zuidelijk gelegen nederzetting maar steden en gemeenten als Brugus (Brugge), Ostenda (Oostende), Gandarum Castrum (Gent), Antwerpum Castellum (Antwerpen) zelfs Lampernissa (Lampernisse) en Lapscura (Lapscheure) stonden toen al op de kaart. De Morini bevolkten het noordelijk gedeelte waarvan onze kustgouw Pagus Frandrensis en de huidige Noord-Franse kust Pagus Gessoriacus heette; in het oosten van dit Vlaanderen leefden de Menapii, in het westen de Atrebati. Deze volkeren waren allemaal Belgae, Belgen dus, en werden reeds door veldheer Julius Caesar vijf eeuwen vroeger in zijn De Bello Gallico “de dapperste van alle Galliers genoemd.
Wie durft nog beweren dat België ‘barst’ en een kunstmatige natie is? Blijkbaar schreef men toen nog (verbasterd) latijn, maar niemand ligt daar wakker van.
Ave Caesar! Dank u wel, Fernand! Ik zal de kaart van het oude Vlaanderen inkaderen en aan de muur van mijn werkkamer ophangen.
Negerleider Martin Luther King schreeuwde het uit op 28 augustus 1963, bij de mars op Washington: “I have a dream. Wij mogen ook nog dromen, met de kerst: een beter Vlaanderen, een beter België, een beter Europa, een betere wereld.
Jean-Marie P.
Opinie (1)
VILLA CLEMENTINE
De ‘republikeinen’, alias de separatisten, hebben weer een nieuwe kluif om aan te knagen: prins Laurent en ‘zijn’ villa Clémentine. Met medeweten van de jongste zoon van Koning Albert zouden eind jaren ’90 voor zes miljoen Belgische frank, d.i. 175.000 Euro, werken uitgevoerd zijn aan de toen opgerichte maar nog niet bewoonbare villa Clémentine in Tervuren, met gelden die, met goedkeuring van de legeroverheid, uit de ongebruikte eindejaarskredieten van de Belgische marine werden ter beschikking gesteld. De geplande bouw van dispensaria voor dierenwelzijn, dat door de Prins wordt behartigd, zou op die manier eveneens financiële steun genoten hebben. De Hasseltse raadkamer heeft voor deze vermeende fraude vijftien verdachten naar de strafrechtbank verwezen.
Het is evident dat deze aantijgingen nog niet bewezen zijn en dat hiervoor ook nog niemand veroordeeld werd. Dit belette niet dat prins Laurent door sommigen in opspraak werd gebracht. Het is nochtans evenmin bewezen dat hij op de hoogte zou geweest zijn van deze fraudezaak; bovendien hoort Villa Clémentine hem niet eens toe, ze is eigendom van de Koninklijke Schenking.
Elke verdachtmaking tegen zijn persoon is dus - tenminste voorlopig - ongegrond, des te meer gezien hij door zijn status zich niet eens kan verdedigen noch zijn betrokkenheid kan weerleggen. Koning Albert heeft anderzijds in zijn Kersttoespraak duidelijk te kennen gegeven dat niemand boven de wet staat. Het komt in de eerste plaats aan het gerecht toe deze zaak volledig in het reine te trekken en zich over de eventuele gevolgen uit te spreken. Het overige is alleen stemmingmakerij.
Toch nemen de separatisten maar al te graag de gelegenheid te baat om andermaal het vorstenhuis en meteen de eenheid van het land in vraag te stellen. Precies alsof de unitaire staat en de parlementaire monarchie de schuld zijn van alle kwaad. Enkele politici die thans hoog van de toren blazen, zouden beter eerst in eigen boezem kijken. Zonder op de rechtspraak vooruit te lopen kan men stellen dat zich in onze buurlanden - zowel republieken als dynastieën - evenzeer soortgelijke ‘incidenten’ hebben voorgedaan. Het grote voordeel van onze democratieën is dan toch, dat de kraaien het uitbrengen en dat er, zo nodig, gevolg wordt aan gegeven. In dictaturen daarentegen wordt alles gewoon in de doofpot gestopt en iedereen met harde middelen het zwijgen opgelegd.
J.M.P.
5.1.2007
Opinie (2)
Smaad aan het Koningshuis,
Schade aan de Natie
Het onverkwikkelijk gedoe rond de villa Clementine en de zogezegde betrokkenheid van Prins Laurent met de fraudezaak in de marine, is als een luchtbel uiteengespat. Dagenlang werd erover gejend, gefantaseerd en gedebatteerd. Eens te meer voorspelden sommige woelgeesten het nakend einde van België.
Overeenkomstig de nieuwjaarstoespraak van Koning Albert maakte Prins Laurent bekend dat hij de goederen en diensten die hem onrechtmatig door de marine verleend werden, uit eigen beweging aan de staat zou terugbetalen. Van de verdachtmakingen ten zijnen opzichte bleef inmiddels niets meer overeind. De enkele politici die erop gebrand waren in ‘Politica’ het Koningshuis en de eenheid van het Land over de hekel te halen, hadden plots niets meer te vertellen.
De Prins die overigens op geen enkel ogenblik verdacht noch beticht geworden was, werd wel degelijk, op verzoek van een der betichten, enkel gehoord als getuige in de zaak. Zijn verklaringen toonden aan dat de Prins alsook de Koninklijke Schenking, die eigenares is van de villa Clementine, in feite zelf misleid werden door de frauduleuze handelwijze van enkele marineofficieren, aannemers en leveranciers. Dit was trouwens al voordien in het politioneel onderzoek aan het licht gekomen.
Sommigen zullen allicht oordelen dat de Prins hierbij blijk heeft gegeven van zekere goedgelovigheid of naïviteit. De misleiding spruit nochtans vooral voort uit het gebrek aan transparantie der dotaties en vergoedingen die aan het Koningshuis in ’t algemeen en aan Prins Laurent in ’t bijzonder werden toegekend. De ‘normvervaging’ die sommigen de Prins verweten hebben, gold echter ook voor de politici die hem zijn ‘verloning’ al of niet hebben toegekend. Ze is daarenboven op schrijnende manier aan het licht gekomen in de houding, de verklaringen en de handelwijze van sommige politici en andere BV’s die van de gelegenheid gebruik maakten om onze monarchie nog maar eens in diskrediet te brengen. Het is bijzonder pijnlijk te moeten vaststellen met hoeveel haat en verbittering zij het imago van ons vaderland op het internationaal podium hebben beschadigd. De aanwezigheid van talrijke buitenlandse journalisten op het proces, waarin Prins Laurent onnodig in opspraak gebracht werd, is een sprekend bewijs van het misleidend figuur dat de Belgische bevolking, door de schuld van die onruststokers, eens te meer heeft geslagen.
Niemand - behalve wellicht diegene die het avontuur van een republiek verkiest - zal betwisten dat het voortreffelijk ‘werk’ en de uitstekende ‘diensten’ van de Koning en de Koninklijke Prins behoorlijk moeten vergoed en bekostigd worden. De andere leden van de koninklijke familie kunnen wellicht ook een aantal taken en functies vervullen, waarvoor ze de overeenkomstige verloning en vergoeding zouden bekomen; zoniet moet hun de mogelijkheid gegeven worden een andere weg te kiezen. Dit alles moet echter in volledige transparantie en redelijkheid gebeuren. Dit zou niet enkel het land, maar ook de monarchie ten goede komen.
Wie onbevooroordeeld de geschiedenis van ons land sedert 1830 overschouwt moet erkennen dat de monarchie België ontzaglijke diensten heeft bewezen, ook in de meest hachelijke omstandigheden. Wij zijn onze vorsten, die België door de zwaarste stormen veilig in de 21e eeuw hebben geloodst, erkentelijkheid verschuldigd. Het is tevens onbetwistbaar dat onze monarchie, boven alle politiek, gemeenschappen en geaardheden, de stevige hoeksteen is van ons staatsbestel en de noodzakelijke eenheid van het land. Wie dit ontkent, begaat een historische vergissing.
Enkele herrieschoppers meenden in het ‘incident villa Clementine’ een nieuwe gelegenheid te vinden om ons koningschap opnieuw in vraag te stellen. Recente enquêtes hebben aangetoond dat zowat tachtig procent van de bevolking deze doemdenkers niet wenst te volgen. Sommigen hebben intussen opnieuw onbeschroomd de koninklijke familie belasterd en ook de Natie in het buitenland schade toegebracht. Men kan hopen dat de grote, vaak zwijgende meerderheid, hen op hun beurt, eerlang de rekening zal presenteren.
J.M.P.
13.1.2007
Opinie (3)
PRINS FILIP OP DE KORREL
Na de opengespatte luchtbel nopens Prins Laurent en ‘zijn’ villa was het te verwachten dat sommigen op vinkenslag lagen om weer een andere Prins op de korrel te nemen.
Deze keer was het een schot in de roos. Zekere pers die intussen wel had aangevoeld dat zij de vorige keer met een kanon naar een mug gevuurd had, is wel erg geschrokken dat ze nu eens lik op stuk kreeg, van Prins Filip dan nog. Het waren bovendien twee hoofdredacteurs die van repliek gediend werden. Dergelijke ‘majesteitsschennis’ hadden de heren vanwege de kroonprins allerminst verwacht. Die hoorde toch de etiquette in acht te nemen. Monseigneur moest naar hun mening zijn mond houden, handjes schudden en vriendelijk glimlachen. De voorafbeelding van de louter ‘ceremoniële en protocollaire functie’ van het koningschap.
Maar neen, de Prins zegde nu eens openlijk zijn gedacht. Hij was blijkbaar de onnodige herrie die sommige perslui enige tijd geleden geschopt hadden, na een wellicht wat minder geslaagd optreden tijdens een economische missie in Zuid-Afrika, nog niet vergeten. De Prins gaf een van die heren bovendien te kennen dat, indien deze hem nog opnieuw zou bezwadderen, hij voortaan niet meer welkom zou zijn op het paleis.
So what? De Prins zei alleen wat elk normaal mens zou zeggen aan alwie hem onrechtvaardig en klaarblijkelijk met enige kwade trouw bejegend heeft. Maar de Kroonprins zou moeten zwijgen! Wie vals speelt, mag zich verwachten aan een terechtwijzing en aan het risico persona non grata te worden.
De Prins had groot gelijk. Hij toonde meteen uit welk hout hij gesneden is: begaan met het voortbestaan en het heil van ons land en recht voor de vuist, zoals zijn grootvader en overgrootvader, tot spijt van wie het benijdt.
Het is best mogelijk dat Prins Filip, in de moeilijke leerschool van het koningschap, al eens wat minder vlot voorkwam of zich een ongelukkig woordje liet ontvallen. “t Is een vrouwtje!, weet je wel. Dit is toch geen reden om hem meteen af te schieten! Ben je nu eens wat houterig, dan weer wat ‘naturel’, om het even, ’t is nooit goed!
Er is meer. De Prins is - zolang hij geen koning is - een Belg zoals eenieder, ‘t zou maar dat mankeren. Hij is vrij zijn gedacht te zeggen. Hoewel hem dat door geen enkele wet verboden is, lijkt het wel wenselijk dat hij geen uiting geeft aan zijn politieke mening, kwestie van later de noodzakelijke ‘neutraliteit’ te kunnen in acht nemen. Mocht men straks misschien de rechten en plichten van een kroonprins in een wet vastleggen, dan zou dit wellicht veranderen. Voor mij hoeft dat niet echt, de Prins weet ongetwijfeld veel beter dan zijn huidige belagers, wat hem te doen en te laten valt.
Meer woorden dien ik aan dit onbenullig ‘persincident’ niet te verspillen. Trouwens de betrokken hoofdredacteurs hebben, door dit andermaal in hun krant ‘op te blazen’, er opnieuw een luchtballon kunnen van maken. Het weze hen gegund. In mijn vorig journalistiek leven gold het als een ‘ongeschreven wet’ dat men, wanneer men over de koning schreef, men steeds de nodige tact zou in acht nemen. Blijkbaar zijn de tijden veranderd, wellicht sedert men vrijelijk Leopold III door het slijk heeft kunnen sleuren. Nu noemt men ‘vrije kritiek’ een hoeksteen van onze democratie. Jawel, kritiek mag en moet, als ze gegrond en relevant is. Deze regel geldt trouwens voor iedereen, nietwaar.
Hoe vlug de hoofden van sommige media-BV’s op hol slaan kwam pas helemaal aan het licht toen zij de uitspraak van de Prins als een (hitleriaans) ‘Berufsverbot’ afschilderden. Precies alsof het uitblijven van een uitnodiging op de nieuwjaarsreceptie van het Hof een aanslag was op de prerogatieven van hun hoogwaardige functie en dit hen zou beletten gewoon naar behoren hun job te doen.
In de rand van dit incident heeft men, naar aanleiding van de poëziedag, o.m. een van onze separatistische politici een zogenaamd gedicht over het koningschap in een T.V.-verslag laten aflezen. Wat dit met poëzie te maken had, is me nog steeds niet duidelijk, het leek mij eerder een schimppartij op verzen.
Een andere ‘republikein’ gaf in het Kamerdebat over hetzelfde ‘persincident’ wel een erg bedenkelijke mening te kennen: “België bestaat nog enkel ondanks het koningshuis. Zo’n smadelijke historische onwaarheid had in het parlement toch echt een stevige terechtwijzing verdiend. Blijkbaar permitteren sommige politici zich de puurste nonsens. Daar kraait echter geen haan over. Wee onze Koning, mocht hij daarop repliceren. Waar gaan we naartoe!
J.M.P.
3.2.2007
Opinie (4)
NATIONALE KIESKRING
de weg naar unitaire democratie
Na jarenlange touwtrekkerij en een gestage verloedering van het nationaal staatsbestel heeft een groep wijze professoren, verenigd in de denktank Pavia, een systeem uitgedokterd om de cohesie en het voortbestaan van de Belgische entiteit in de hand te werken. Eindelijk een positieve bijdrage tot de gezondmaking en versteviging van de natie die door de overgrote meerderheid van de bevolking gewenst worden!
Het voorstel van Pavia behelst de oprichting van een zgn. nationale kieskring, waarvan de gekozenen uit beide landsgedeelten, één tiende van de Kamer zouden uitmaken. Dergelijke maatregel zou de gegadigden moeten aanzetten om in de eerste plaats de algemene, nationale belangen te behartigen. Dit zou meteen ook de politici die de ergerlijke slagzin ‘eigen volk eerst’ verkondigen, van repliek dienen. We weten overigens dat de meerderheid van de Vlamingen zich in dergelijk eigengereid extremisme niet terugvindt.
De instelling van een nationale kieskring is een kwestie van ‘gezond verstand’. Het is toch normaal en logisch dat de nationale belangen het best behartigd worden door nationale gekozenen, net zoals sommige sprecifiek gewestelijke materies best toevertrouwd worden aan de regionale parlementen en regeringen. De ervaring heeft immers aangetoond dat het federalisme in zijn huidige vorm niet werkzaam is en leidt tot allerlei verwikkelingen, betwistingen en onmacht. Bovendien heeft het ongetwijfeld bij sommige politici en een deel van de bevolking geleid tot vervreemding en onmin.
Een nationale kieskring zou tevens bijdragen tot een gezond evenwicht tussen de nationale en de gewestelijke belangen. De huidige tegenstrijdige stellingnamen zouden plaats maken voor meer overleg en verstandhouding.
Een forum van nationale gekozenen zou vooral een optimalisering zijn van de rechtstreekse parlementaire democratie in ons land. Het is immers eigenlijk ondemocratisch dat de huidige parlementariers, die slechts met de stemmen van een gedeelte van de landsbevolking verkozen worden, beslissen over het lot van andere landgenoten, tegenover dewelke zij geen verantwoording verschuldigd zijn! Dat is feitelijk puur machtsmisbruik en een aanfluiting van de democratische beginselen waarop wij ons zo graag beroepen.
Sommige partijen hebben de voorstellen van Pavia gunstig onthaald. Andere zijn terughoudend, enkele zijn er uit eigenbelang radicaal tegen. Eindigt de democratie aan de taalgrens?
J.M.P.
19.2.2007
Opinie (5)
PRINSES ASTRID
Wie er nog aan twijfelde kan nu de evidentie niet loochenen: de hetze tegen de koningskinderen is rond. Prinses Astrid die - terecht of ten onrechte - door sommigen werd beschouwd als de ‘verstandigste’ en de ‘evenwichtigste’ van de drie, is op haar beurt, als voorzitster van het nationale Rode Kruis, het mikpunt van een (al)gemene campagne. Men beweert dat de kritiek niet tegen haar persoonlijk gericht is, maar eerder tegen haar ‘entourage’. Wat er ook van zij, de achtergrond is duidelijk: men wil eens temeer het koninklijk huis, zeg maar de monarchie tout court, in diskrediet brengen. Deze nieuwe aanval sluit ‘wonderwel’ aan bij de verdachtmakingen en laster t.o.v. van de prinsen Laurent en Filip in de voorbije maanden; hij leunt volkomen aan bij de recente gemeenteraadsbeslissing in Mortsel om, op initiatief van het V.B. en met de steun van N-VA, de staatsiefoto’s van het vorstenpaar uit de raadszaal te laten verwijderen.
De bedoeling van dit alles is evident: sommigen willen gewoon het gezag van het koningschap in ons land ondergraven. Ze beperken er zich niet toe de koninklijke familie te bezwadderen; ze streven er ook naar de werking en de invloed van het vorstenhuis in de nationale structuren - zoals het Rode Kruis - uit te schakelen en de symbolen van de nationale eenheid te vernietigen.
De kuiperijen van de Vlaamse nationalisten - tot welke politieke partij of kartel zij ook behoren - hebben één gemeenschappelijk doel voor ogen: de desintegratie van België en de macht in Vlaanderen. Hun huidige gluiperige maneuvers zijn een voorafspiegeling van het soort Vlaanderen dat zij beogen.
De ‘slapende’ meerderheid in ons land wordt pas nu stilaan bewust van het dreigend gevaar van dergelijke aftakeling; het ‘gezond verstand’ van de Belgen leidt ons tot het besef dat het separatisme de ernstige problemen waarmee ons land en de wereld geconfronteerd worden - zoals de globalisering, de tewerkstelling, de verdraagzaamheid, de vergrijzing en het behoud van de vrede - niet zal oplossen, wel integendeel.
Het komt me evenwel voor dat de huidige zwadder op het staatsbestel ook ten dele voortspruit uit een maatschappelijk verschijnsel nl. de ongebreidelde permissiviteit van de massacommunicatie. Tegenwoordig kan en mag blijkbaar iedereen om ’t even wie belachelijk maken en bezwadderen; de grens tussen ‘privacy’ en ‘relevantie’ is erg eng geworden. Het verschuldigde ‘respect’ voor de persoon is vaak - hoewel sommige partijen dit thema hoog in hun vaandel voeren - ver te zoeken. Trivialiteit en platitudes op TV zijn schering en inslag geworden. Er zijn geen grenzen meer aan de onwellevendheid. Onze duurbare vrijheid wordt misbruikt.
Er is terzake ongetwijfeld een belangrijke taak weggelegd voor de moderne media, inzonderheid de T.V. en internet, zoniet glijden we af tot een wild-westmaatschappij zonder respect, verdraagzaamheid noch morele waarden.
J.M.P.
7.3.2007
Opinie (6)
BELGIE BLIJFT
Een recente opiniepeiling, uitgevoerd bij 2002 landgenoten door de kranten Le Soir en De Standaard, heeft aan het licht gebracht dat het doemscenario over de toekomst van ons Land dat door sommigen de laatste tijd met zoveel misbaar verkondigd werd, helemaal niet strookt met de mening van de overgrote meerderheid van de Belgen. Slechts 6 procent van de Vlamingen en 2 procent van de Franstaligen wenst dat België zou worden opgedoekt. 39 procent van de Vlamingen en 22 procent van de Franstaligen stemt in met de overdracht van meer bevoegdheden naar de gewesten; 15 procent van de Vlamingen en 36 procent van de Franstaligen wil daarentegen het herstel van de unitaire Belgische staat. Zes op de tien Belgen - 47 % van de Vlamingen en 75 % van de Franstaligen - zijn zelfs de heroprichting genegen van tweetalige kieskringen waarin zij opnieuw op politici van de andere taalrol zouden kunnen stemmen.
Hoewel de waarde van dergelijke beperkte opiniepeiling zeker dient gerelativeerd en genuanceerd te worden, zijn de resultaten ervan toch relevante indicatoren van de algemene geestesinstelling van de Belgische bevolking. Zij geven bovendien een duidelijke evolutie te kennen t.o.v. de resultaten van een vorige gelijkaardige enquête, begin maart 1981, door dezelfde kranten. Toen wou nog 49 procent van de Franstaligen (nu 36 procent) en 26,4 procent van de Vlamingen (nu 15 procent) de terugkeer naar het unitaire België. Het idee van het federalisme heeft dus in de laatste kwarteeuw duidelijk terrein gewonnen.
Anderzijds is nochtans ook het aantal voorstanders van het separatisme in beide landsdelen sterk teruggelopen. Vijfentwintig jaar geleden wenste 21 procent van de Vlamingen de totale onafhankelijkheid; nu nog slechts 5 procent. Aan Franstalige zijde is de roep om autonomie van 14,5 procent in 1981 geslonken tot één procent.
Deze cijfers tonen duidelijk aan dat de overgrote meerderheid van de Belgische bevolking vrede neemt met het huidig federalisme; er is echter in geen van beide landsdelen een meerderheid om dit federalisme nog verder uit te breiden. De meningen nopens deze transfers zijn bovendien erg gedifferentieerd.
Opmerkelijk in de jongste opiniepeiling is ongetwijfeld vooral het forse verval van het separatisme. Hieruit blijkt ten overvloede dat deze evolutie geenszins overeenstemt met de toegenomen macht en ideologische strekking van de separatistische partijen. Er gaapt ter zake een grote kloof tussen deze politici en hun kiezers. Het stemgedrag van deze laatsten houdt blijkbaar verband met heel andere motieven dan het al dan niet voortbestaan van België. De politici die streven naar volledige onafhankelijkheid spreken vooral uit eigen naam, maar vertolken geenszins de opinie van de meerderheid van hun eigen kiezers. De jongste enquête is een duidelijke aanwijzing dat de overgrote meerderheid van het Belgische volk niet geneigd is de verraderlijke voetstappen van deze heethoofden te volgen. Sommige ‘opinie- en programmamakers’ mogen uit deze opiniepeiling ook afleiden dat de bevolking niet gediend is met hun misleidende theorieën en misplaatste satires.
J.M.P.
1.5.2007
Opinie (7)
De Brabançonne
Het stond in de sterren geschreven dat zelfs de viering van onze nationale feestdag, midden de vorming van een nieuwe regering, niet zou gespaard blijven van enig politiek incident. De Vorst had op de vooravond nochtans een positieve boodschap van samenhorigheid en solidariteit gebracht en eens te meer een warme oproep gedaan tot nog meer initiatieven ten einde de gemeenschappen in ons Land nader tot mekaar te brengen.
Het Gentse marktonderzoeksbureau Compagnie had net de resultaten bekendgemaakt van een telefonische enquête bij een duizendtal landgenoten van 15 jaar en ouder, betreffende hun kennis van de Belgische geschiedenis. Slechts 19% van de ondervraagden bleek te weten dat op 21 juli in feite de eedaflegging van Leopold I in 1831 herdacht wordt; niet eens de helft (46%) is ervan op de hoogte dat België onafhankelijk werd in 1830; 43% draagt er kennis van dat ons land tien provincies telt; 30% kan deze allemaal opsommen, 12% kan geen enkele noemen.
De enquête bevestigde nochtans andermaal dat de grote meerderheid der Belgen nl. 78%, gehecht is aan de eenheid van het land; 70%, meer bepaald 80% van de Walen en 62% van de Vlamingen, wenst het voortbestaan van het koningshuis in zijn huidige vorm. Bij het onderzoek kwam ook aan het licht dat slechts 20% van de Belgen weleens de nationale driekleur aan zijn gevel hangt en dat slechts een schamele 2% de Brabançonne volledig kan zingen.
Dat de ‘nuchtere’ Belgen, hoe ‘vaderlandslievend’ zij ook blijken te zijn, niet zoveel afweten van de (ingewikkelde) structuur en de geschiedenis van hun land en niet erg gesteld zijn op uiterlijk patriottisch vertoon, was al eerder bekend. Het is nochtans verrassend dat zelfs sommige toppolitici blijkbaar van onze vaderlandse geschiedenis geen kaas gegeten hebben.
Toen RTBF-journalist Christophe Deborsu op 21 juli voor het traditioneel Te Deum op de trappen van de Brusselse kathedraal de huidige formateur Yves Leterme, de ontslagnemende eerste minister Guy Verhofstadt en de nieuwe minister-president van het Waals gewest Rudy Demotte de micro onder de neus duwde, wist geen van de drie meteen wat er op de nationale feestdag precies herdacht wordt.
Deze onkunde is op zich niet zo erg verwonderlijk, nadat gebleken was dat amper één op vijf van de Belgen het juiste antwoord wèl kent; toch had men van de politieke leiders een betere score mogen verhopen.
De quiz liep bij formateur Leterme echter uit op een totale sisser toen hij, op de vraag of hij de Brabançonnne kende, eerst antwoordde “een beetje, en na verder aandringen, de Marseillaise aanhief.
De flater heeft natuurlijk heel wat deining verwekt, in binnen- en buitenland. Het was duidelijk “een vergissing, wat de formateur twee dagen later trouwens openlijk heeft toegegeven. Hij had de vragensteller overigens beter meteen geantwoord dat hij enkel de Nederlandstalige versie van de Brabançonne kende: weinigen zouden het hem kwalijk hebben kunnen nemen... Leterme’s eerste reactie was bovendien niet echt sportief toen hij na het Te Deum de journalist, die hem opnieuw aanklampte, negeerde en de rug toekeerde; later gaf hij te kennen dat men hem ‘schade’ had willen toebrengen en begon hij zelfs te dreigen...
Het feit dat de formateur in de kathedraal de Brabançonne - waarvan de geschreven tekst nochtans beschikbaar was - niet heeft meegezongen, en dat hij tijdens de plechtigheid ostentatief stond te gsm’en, wekt het vermoeden dat er wel wat wrevel achter schuilde. De perscommentaren en de vele lezersreacties in de kranten geven overigens te kennen dat de formateur bij de aanvang van zijn moeizame opdracht met deze blunder van formaat geen te beste beurt heeft gemaakt.
Dit betreurenswaardig incident, waarbij het vertrouwen in en het imago van ons land eens te meer schade hebben opgelopen, had kunnen vermeden worden. Wanneer zullen onze ministers van onderwijs de vaderlandse geschiedenis (opnieuw) de nodige plaats gunnen in de vorming van de jeugd?
Het probleem is overigens niet nieuw: hoe dikwijls hebben wij immers al niet moeten meemaken dat de spelers en het publiek bij sportieve en andere openbare gelegenheden amper in staat blijken te zijn om het Belgisch volkslied mee te neuriën of te lispelen. Heeft dit trieste schouwspel nog niet genoeg schaamte en ergernis verwekt?
Het valt niet te ontkennen dat de Brabançonne in zijn huidige vorm moeilijk te zingen valt: zelfs Jo Lemaire had er af en toe last mee toen zij onlangs ten overstaan van de koninklijke familie en de hoogste gezagdragers van het Land de nationale hymne in de drie landstalen ten beste gaf. Niet alleen past de tekst niet volledig bij de muziek, sommigen vinden ze ook stroef of ouderwets. Geen wonder dat slechts weinigen in staat blijken het nationaal lied voluit te zingen, zeker niet in de drie landstalen!
Zou het niet verkieslijk zijn om, naast de traditionele Brabançonne - die nog verder bij bijzondere gelegenheden zou kunnen gebezigd worden - ook een eenvoudige versie tot stand te brengen die door alle Belgen, tot welke gemeenschap ze ook behoren, kan meegezongen worden? Waarom ook niet meteen - om practische redenen - de drie nationale talen in de aangepaste tekst verweven? Het ware meteen een symbool voor de eenheid van het land. Vlamingen, Walen en Duitstaligen zouden dan schouder aan schouder, eenstemmig en uit volle borst kunnen samenzingen!
Ziedaar wellicht een (positief) agendapunt bij een of andere staatshervorming...
J.M.P.
23.7.2007
Opinie (8)
De kern van de ‘crisis’
De politieke leiders, de ‘ervaren’ wijzen, zelfs de Koning zijn het erover eens: ons land bevindt zich in een zware ‘crisis’.
Men hoefde niet blind te zijn om de onvermijdelijke storm niet te zien aankomen. Tachtig dagen na de verkiezingen hebben de ‘onderhandelingen’ die nu ook al vijfendertig dagen aansleepten, niets opgeleverd. De palavers eindigden op een kordaat ‘non’. De Koning, die reeds herhaaldelijk diende in te grijpen, zag zich uiteindelijk genoodzaakt diverse leden van de Kroonraad te raadplegen. Prominente, doorgewinterde politici zien nog steeds niet in hoe men erin zal slagen het kluwen te ontwarren.
De tijd is gekomen voor duidelijkheid en staatszin. Wat is er aan de hand? Wat schuilt daarachter? Waar wringt het schoentje? Waar zit de kern van de ‘crisis’?
Het vertrouwen is ondergraven. Hoe kon het anders? Het begon allemaal toen de CD&V, die een reeks verkiezingsnederlagen achter de rug had, een kartel vormde met de NV-A, een overblijfsel van de Volksunie. Onder de mom van de eis tot meer Vlaamse autonomie werd hierdoor het extremistisch gedachtengoed van deze laatste nog aangezwengeld. De NV-A sprak zich steeds duidelijker uit voor het separatisme en nam aldus haar kartelpartner op sleeptouw naar steeds radicaler standpunten. Het is heus niet te verwonderen dat het vertrouwen in dit kartel, mede door enkele bedenkelijke verklaringen en dito “vergissingen van formateur Leterme, bij vele landgenoten - niet enkel Franstaligen - aan het wankelen werd gebracht. De mislukking van de formatiegesprekken is zeker niet enkel te wijten aan de halsstarrigheid van sommige Franstalige gesprekspartners; het kartel zelf heeft de echte onderhandelingen nagenoeg onmogelijk gemaakt.
De jongste evolutie van het politiek landschap vertoont enige gelijkenis met de crisisjaren van het Belgisch parlementair regime van zowat 70 jaar geleden. Hoewel de Nationale Unie-regering-Van Zeeland (1935-36) het hoofd had kunnen bieden aan de economische en financiële crisis in het land, keerde een vierde van de kiezers zich af van de traditionele nationale partijen om bij de verkiezingen van 24 mei 1936 voor Rex, V.N.V. en Communisten te stemmen. Van het grondig hervormingsplan van onze politieke instellingen, dat toen door de regering werd uitgedokterd, is, mede door het dreigend oorlogsgevaar, niet veel in huis gekomen. Op 8 december 1936 kwam echter wel een federalistisch en corporatistisch beginselakkoord tot stand tussen het Vlaams Nationaal Verbond en de toenmalige Katholieke Vlaamsche Volkspartij (K.V.V.); op 6 oktober 1936 hadden Rex-Vlaanderen en het V.N.V. al een gelijkaardig beginselakkoord gesloten, waarin de omvorming van België in een federale staat in principe werd aanvaard. Ook toen werd het land, dat aan de rand stond van de tweede Wereldoorlog, moeilijk regeerbaar. In november 1937 hebben zich niet minder dan acht formateurs gedurende een volle maand ingespannen om een regering te vormen, die het uiteindelijk toch maar zes maanden zou uithouden. De effectieve vooroorlogse regeringsperiode van Leopold III (17/23 februari 1934 - 10 mei 1940) werd gekenmerkt door niet minder dan acht regeringscrisissen.
Zo’n vaart zal het nu wel niet lopen. Toch is het hoog tijd dat de bewindslieden hun volle verantwoordelijkheid opnemen. De keuze is duidelijk: ofwel stort men België in een uitzichtloos avontuur; ofwel zet men zich schrap voor het behoud van de eenheid van het land. Heus niet alles moet bij het oude blijven. Ons land heeft dringend nood aan een staatshervorming waarvan alle Belgen beter worden; deze mag echter geen voorwendsel noch de aanloop worden van een separatistisch maneuver, waarvan de overgrote meerderheid van de bevolking niets wil weten. Het separatisme is echt geen wondermiddel tegen de uitwassen van de democratie noch een waarborg voor het behoud van onze onafhankelijkheid. De antiroyalisten hoeven zich ook geen illusies te maken: paleizen zullen er altijd zijn, ongeacht of ze koninklijk of presidentieel zijn, of onderdak bieden aan een of ander dictator. De geschiedenis leert ons wel dat het koningshuis, ondanks alle ‘crisissen’, steeds de behoeder en de steunpilaar is geweest van de eenheid en de welvaart van het land.
J.M.P.
28.8.2007
Opinie (9)
1/ Het ‘Menu’
Het gebeurde zopas in een gerenommeerd tweesterrenrestaurant van de hoofdstad en het verhaal is afkomstig van de exploitant die ik hier, pro forma, Jan Alleman zal noemen (de brave man heeft er last van dat sommige van zijn klanten, die hem nog niet persoonlijk kennen, aan de telefoon zijn naam verwarren met die van een boosaardig uitziend politicus van het ogenblik).
Jan deed vrij vlug goede zaken en zag dat het goed leven was in België. Na zijn tweede ster, vorig jaar, had hij zijn bedrijf verder uitgebouwd; hij beschikte nu over twee zalen: een grote voor zijn dagelijkse cliënteel en een middelgrote voor ‘speciale gelegenheden’ zoals feesten, huwelijken, conferenties, zakendiners. Hij hoopte met de exploitatie van dit nieuwe luxueuse salon de kosten voor deze uitbreiding wellicht in één jaar te recupereren en wie weet, nog een derde ster te verwerven.
Toen hij, korte tijd na de verkiezingen, een belangrijke reservatie van zijn nieuwe salon mocht registreren, voelde hij zich geflatteerd en bijzonder gelukkig; men had hem zelfs voorgespiegeld dat dit ‘feest’ wellicht meerdere dagen zou duren. Het salon diende wel dag en nacht beschikbaar gehouden te worden. Het ging, zo liet men doorschemeren, om een ‘laatste viering’ ter afsluiting van ‘175 jaar België’ (de langste periode van onafhankelijkheid van onze contreien). Het ‘feest’ moest tevens de aanzet worden tot een splitsing en een soort boedelscheiding, waarvan, zo werd gezegd, “wij allen nóg beter zouden worden. Voor onze Jan was het allemaal niet erg duidelijk, want hij hield zich weinig in met politiek. ‘Als dat maar goed wordt’ meende hij, zonder veel nadenken.
De opdrachtgever, die anoniem wilde blijven, maakte bovendien duidelijk dat de kostprijs voor deze ongewone dienst bijkomstig was en door de overheid zou betaald worden; belangrijk was vooral dat voor, tijdens en na dit buitengewoon diner, uiterste discretie in acht zou genomen worden.
Jan had, in het vooruitzicht van de gastronomische maaltijd(en) die hij hierdoor mocht verwachten, zijn voorraad etenswaren, wijn en champagne flink aangevuld en extra personeel aangeworven. Als goede Belg wou hij eervol zijn opdracht volbrengen.
Toen de eerste genodigden arriveerden, bemerkte onze Jan meteen, dat er enkele hoge pieten bij waren; een paar had hij trouwens reeds vaag op TV gezien, maar hij stelde zich geen vragen. Terwijl het hoge gezelschap zich bij de welkomdronk, aangeboden door het huis, in zijn salon installeerde kreeg hij nochtans ruimschoots de kans om de kopstukken even onder ogen te nemen. Hoewel allen keurig gekamd en gekleed waren, leken deze toch maar een stelletje ongeregeld. De man die blijkbaar de honneurs waarnam scheen de intelligentste maar tevens de onzekerste; hij deed bijzonder zenuwachtig, wreef zich vaak de wang en de neus, keek herhaaldelijk vluchtig om zich heen en woog zijn woorden, als waren ze goud. Hij zag er ook nogal bleek, schuchter, bijna naïef uit; onderdanig, keurig, wel een beetje stroef. ‘Net een gewezen misdienaar’ dacht Jan bij zichzelf. Blijkbaar was een zwaardere, iets oudere man, die voortdurend in de nabijheid van ‘de misdienaar’ vertoefde, diens steun en toeverlaat. Met zijn onbehouwen houding en wat schorre stem was deze duidelijk de feitelijke mentor van het gezelschap. Die was zeker van zijn stuk, zijn woord was evangelie. Hoewel de gesprekken nog maar nauwelijks op gang kwamen, stak hij al lange tirades af, waarnaar de omstaanders met een stijgende verwondering stonden te luisteren. “Da’s de pastoor op zijn kansel dacht Jan alweer. Een derde man van de entourage vertoonde veel gelijkenissen met de mooiprater: zelfde postuur, met een lichte blos op de wangen, maar met nog meer agressiviteit, soms uitpuilende maar geslepen ogen; bovendien lonkte hij al maar in ’t rond. Het schoot Jan meteen te binnen: ‘De jezuïet’. Onmiddellijk daarop werd het hem volledig duidelijk: “Drie handen op één buik.
Zaakvoerder Jan Alleman begon te transpireren en kreeg een bang voorgevoel: ‘Daar komt last van’, opperde hij bij zichzelf. Met groeiende verwondering dwaalden zijn ogen over de andere genodigden, die inmiddels al aan hun derde welkomdrankje toe waren. Er hadden zich ondertussen groepjes gevormd rond de respectieve topfiguren: men kon deze er meteen uitpikken, de tongen waren al wat losgekomen. Er was nog een tweede kliekje Vlamingen in de zaal. Hier was de discussie blijkbaar al volop aan de gang. Toch sloegen ze een wat lager toontje aan dan de eerste groep. De eerste viool was een druk doend, mollig manneke met slimme oogskens, scherpe tandjes en een radde tong. Hij gesticuleerde voortdurend nerveus met zijn korte pootjes. (Onze Jan doopte hem meteen ‘De mol’). In een ander, Franstalig groepje, voerde een wat rustiger heerschap het hoge woord. Onze Jan ontdekte in hem meteen een exemplaar van de ‘beau monde’: ‘deze man is eigenlijk de enige die volkomen past in mijn nieuw salon’, lispelde hij. Hij voelde zich onmiddellijk al wat gerustgesteld. Die man kon het blijkbaar allemaal goed uitleggen en accentueerde zijn trage volzinnen met brede gracieuze gebaren. Hij leek bovendien recht uit een cosmeticazaak te zijn gestapt. Rond hem zweefde een aureool van pommade. Onze Jan besefte het meteen: ‘Richelieu!’. Hoewel, de man in kwestie miste wel de scherpe kantjes van de Franse staatsman; bovendien, ook al deed hij zijn best, in ’t Vlaams was hij niet zo rad van tong. Het schoot Jan door het hoofd: ‘Daar komt heibel van’. Een acoliet van ‘Richelieu’ die zich vanuit de achtergrond voortdurend naar voor wurmde en ostentatief weigerde een woord Nederlands te spreken, jaagde Jans hartslag nog de hoogte in: ‘Als mijn vermeende naamgenoot hier maar niet binnenvalt!’, flitste het hem door het hoofd.
Gelukkig dwaalde Jans blik op dit moment toevallig af naar een andere topgaste, die zich tot dan toe wat opzij gehouden had. Zij gedroeg zich, ondanks haar charmes, wat onwennig in dit hoofdzakelijk mannelijk gezelschap. Toch bleek zij, ongewild, stillekens aan aandacht te winnen bij al dat sterke geslacht. Haar staalharde blauwe ogen en glanzig ravenzwarte haar dwongen onwillekeurig respect af en haar woorden (ook al overwegend Frans) overstemden resoluut het geschnabbel van de ganse meute. ‘Geen twijfel mogelijk’ wist Jan: ‘Madam Thatcher!’.
Op dit cruciaal ogenblik werd Jan vriendelijk maar met aandrang verzocht het salon te verlaten en plaats te maken voor de serieuze dingen. De dubbele deuren werden gesloten en er posteerden zich parmantig M.P’s met rode kepies voor de ingangen. Jan kon zijn ogen niet geloven. Dàt was ernst! En in zijn eigen restaurant! Pas op dat ogenblik vernam hij dat hij tot nader order, als de enige ‘buitenstaander’ was aangesteld, die nog, enkel op uitdrukkelijk verzoek van ‘de pastoor’, zou toegelaten worden tot het salon. Het begon Jan voor de ogen te schemeren, maar hij vermande zich: als patron zou hij op zijn eentje de dienst uitmaken! Zoiets had hij nooit eerder meegemaakt!
Het werd de hachelijkste periode totnogtoe in zijn leven, een droom die hij niet eerder voor mogelijk had gehouden. Niet dat hij zo hard werken moest; slechts af en toe werd op hem een beroep gedaan voor een drankje en een hapje, soms een dagschotel, meer niet; wat later werd er zelfs - voor het gezelschap en voor hem - af en toe een rustdag ingelast. Maar het salon moest onafgebroken ter beschikking blijven en Jan zelf moest steeds stand-by staan wanneer het conclaaf zijn voortgang vond. Dit laatste had Jan - die zelden tijd had om een krant te lezen of TV te kijken en die vanwege ‘de pastoor’ zelfs ‘spreekverbod met om ’t even wie’ gekregen had - al vlug begrepen.
Het leek natuurlijk een geheimzinnig gedoe daarbinnen: telkens hij het salon binnenstapte met een of ander drank of gerecht op zijn schenkbord, verstomden meteen alle stemmen. Toch ving hij bij het binnenkomen toevallig soms wel nog net een of ander woord op; van in de gang hoorde hij ook af en toe het lawaai van hoog oplopende discussies. Na enkele dagen begreep hij reeds dat van een groot banket in zijn salon waarschijnlijk geen sprake meer zou zijn; hij had nochtans al herhaaldelijk de woorden “dikke biefstuk en “grote vis horen vallen. Het gezelschap was dus blijkbaar nog steeds over het menu aan het twisten. Onze Jan kon echter niet snappen dat die hoge pieten blijkbaar - soms tot diep in de nacht - zoveel problemen konden maken over al het lekkers dat hij in staat was hen voor te schotelen. Ze deden hem hiermee wel bijzonder veel eer aan. Hij zou het nochtans allemaal vlot en keurig voor mekaar kunnen krijgen, althans als ze dat echt wilden; maar hij durfde en mocht hen niet aanspreken en zich in hun oeverloze gesprekken mengen. Alleen geduld kon hem redden.
Op een mooie zondag, half november, - die dag had Jan van ‘de pastoor’ net ‘vrijaf’ gekregen - hoorde Jan plots kort voor de middag groot lawaai op straat. Omdat het hem was opgevallen dat de doordeweekse cliënten voor zijn grote zaal langer uitbleven dan naar gewoonte, stak hij toch even zijn neus buiten, om te zien wat er gaande was. Het bleek een grote menigte die stoetsgewijze, in een feestelijke zee van nationale vlaggen, voorbijtrok. De wandelaars - meer dan gewoon stappen was het niet - leken allen opgewekt en vrolijk, zongen uit volle borst de Brabançonne in drie talen en droegen zelfgemaakte opschriften mee waarop zij de liefde voor en de trouw aan België tot uiting brachten. Er waren echter opvallend weinig grote spandoeken te bemerken. Merkwaardig was ook de grote mix van jong en oud. Jan vond het tevens hartverwarmend dat de ‘betogers’ blijkbaar afkomstig waren uit alle hoeken van het land. Hoopvol keek hij tussen de menigte uit naar ‘de misdienaar’, ‘de pastoor’, ‘de jezuïet’, ‘de mol’, ‘Richelieu’ en zijn acoliet, ‘Madam Thatcher’ en de anderen die hem nu al enkele maanden aan ’t lijntje gehouden hadden, maar die waren er niet bij. Ontgoocheld trok hij zich in zijn restaurant terug en mijmerde: ‘Die zal ik niet meer te zien krijgen’.
Maar tot zijn grote verbazing waren ze er na enkele dagen toch terug. Ze leken nu wat vrolijker en milder gestemd dan voordien maar spoedig was de stemming in het salon, waar Jan nog altijd met hapjes en drankjes moest aandraven, weer verbrod. Achter de dubbele deuren hoorde men duidelijk vuisten op tafel slaan en af en toe ‘Madam Thatcher’ luidkeels “Non! Et Non! roepen. ‘Ze gaan hier nog mijn boeltje afbreken’ vreesde hij, maar hij durfde niet tussenkomen; de ‘pastoor’ had immers nogmaals zijn orders van ‘absolute discretie’ gegeven.
Zo gingen weer een aantal weken voorbij, zonder dat het gezelschap het eens geraakte. Onze afgepeigerde Jan was het gedoe in zijn salon ‘spuugzat’; alleen de vage hoop op een ‘happy end’ en een groots banket hield hem nog recht. Dit laatste werd voor Jan zelfs levensnoodzakelijk: aan het gezelschap in zijn salon had hij totnogtoe weinig verdiend en zijn doordeweekse clienteel was wegens al dat geheimzinnig gedoe in het salon ook grotendeels achterwege gebleven. Met wanhoop zag Jan het einde van de maand november naderen. ‘Als er nu niet wat gebeurt, dan haal ik niet eens de lucratieve eindejaarsfeesten jammerde hij.
Plots, de 174e dag, was het zover. Met grommende gezichten droop het hele gezelschap af. In ’t voorbijgaan kon Jan nog net ‘de pastoor’ bij zijn frak pakken. “Ehwel? vroeg hij hem. De man keek hem meewarig aan en zuchtte: “Het Menu.
Bij het verlaten van het restaurant stond een groepje mensen op straat het gezelschap op te wachten. Toen ‘de misdienaar’,’de pastoor’ en ‘de jezuïet’ verschenen, juichten zij.
Jan begreep er niets meer van.
Voor alle duidelijkheid: dit verhaal is geen docufictie, maar een getrouwe weerspiegeling van hetgeen zich in de voorbije weken werkelijk heeft afgespeeld. Enkel het kader hebben wij, om begrijpelijke redenen, enigszins vertekend; Jan Alleman kan om ’t even wie van ons zijn, de namen van de hoofdpersonages kan iedereen er zelf op plakken.
Als de ernst grenst aan het absurde, dan kan alleen nog de humor ons redden.
2/ De vertrouwensbreuk
Wat is de oorzaak van deze ‘formatiecrisis’ (o ironie, ze duurt nu al zes maanden, d.i. evenveel dagen als het aantal jaren van onze vaderlandse geschiedenis)? Wij hebben het er reeds eerder over gehad (Opinie 8 De kern van de crisis). Sedert augustus is het probleem alsmaar toegenomen. Hoe kon het anders? Als vier partijen straks samen op pad moeten, drie vooruit en één achteruit, dan wordt dit op zijn best een ‘sur place’; als die ene daarenboven innerlijk verdeeld is en elke partner een eigen eindbestemming op het oog heeft, dan kan het niet lukken. Zo simpel is dat. Als die ene partij dan nog de voortrekker wenst te zijn en zijn wil aan de andere drie wil opleggen, dan eindigt dit onvermijdelijk op een getouwtrek van jewelste. Je mag dan al gelukkig zijn als ze niet slaags geraken. Als er onderweg dan nog slagen onder de gordel uitgedeeld worden, zoals de eenzijdige ‘afhandeling’ BHV en de niet-benoeming van de burgemeesters, dan zit het er gegarandeerd bovenop. Ga dan maar kletskoek vertellen over ‘goed bestuur’, niemand gelooft je nog.
De vertrouwensbreuk is niet alleen tot stand gekomen tussen de ‘coalitie’-partijen, maar ook - en dit is heel wat erger - tussen het kiezerskorps en alle partijen. Het is toch voor iedereen duidelijk (menige opiniepeilingen tonen het aan) dat de programma’s van de meeste partijen niet (meer) overeenstemmen met de mening van hun kiezers. Het is toch evident dat, wanneer alle opiniepeilingen aantonen dat slechts zes procent van alle Belgen instemt met de splitsing van België, het niet logisch is dat de partijen die openlijk opkomen voor het separatisme samen toch zowat 30 procent van de stemmen behalen. Die partijen poneren dus standpunten die zij slechts delen met een klein part van hun achterban. Als die partijen dan nog veel meer kabaal maken dan wat ze feitelijk vertegenwoordigen, dan bekomt men een totaal vals beeld van wat de mensen eigenlijk nauw aan ’t hart ligt. Hoe is dit verklaren? Heel eenvoudig, omdat de meeste mensen stemmen overeenkomstig hun alledaagse noden, en dat is ook normaal. Wie zijn dan de bedriegers? De partijen die onder de druk van een kleine kern fanatici, een ‘eigen discours’ aan hun kiezers opdringen, uit eigenbelang.
Er is ook een vertrouwensbreuk ontstaan tussen de pers en het lezerspubliek. De zgn. vrijheid en onafhankelijkheid van de pers is een waardevolle zaak die dient gekoesterd te worden als een van de hoekstenen van onze democratie. Toch valt niet te ontkennen dat deze vrijheid vaak wordt misbruikt om sommige feiten of personen buitenmate in de verf te zetten of af te breken. Krantenlezers hebben bv. kunnen vaststellen dat het boegbeeld van de NVA in de formatiegesprekken de laatste weken bijzonder veel in de picture gekomen is. Ergens is dat te verantwoorden door het feit dat hij inderdaad de voornaamste dwarsligger was; de manier waarop hij doorgaans aan bod gebracht werd gaf nochtans te kennen dat de vorming van een nieuwe regering zou afhangen van zijn welbehagen. Dit was buiten alle verhouding als men beseft wie en wat hij wel vertegenwoordigt.
Een andere flagrante blunder was de mededeling van een reporter in De Zevende Dag op zondag 18 november. Hij meldde bij het begin van de uitzending dat er amper 5.000 deelnemers waren aan de ‘Mars op Brussel voor België’. Deze ‘telling’ werd later in de uitzending niet rechtgezet. Wat later maakte de rijkswacht al bekend dat er 35.000 deelnemers waren. Ooggetuigen hebben mij nadien verzekerd dat er nog een pak meer waren, wellicht bijna 100.000. Ik weet nu wel beroepshalve dat een raming van de deelnemers aan een betoging altijd een riskante klus is. De wat smalende raming in de doorgaans erg op objectiviteit gestelde Zevende Dag alsook de bemerking dat het vooral om Franstaligen ging (wat ’s anderdaags door diverse bladen flink werd genuanceerd), roept vragen op betreffende de betrouwbaarheid van onze staats-TV.
Het schaamteloos aanslepen van het formatieberaad en vooral het spektakel dat de acteurs ten tonele gebracht hebben, heeft de vertrouwenskloof tussen een aantal politici en het volk tot een afgrond gebracht. Hoe is het gods mogelijk dat enkele nochtans verstandig geachte leiders er zo’n boeltje van maken? De wereld vraagt zich af of we gek geworden zijn. Komaf met die zaak! Opruimen dat goedje!
Iedereen beseft wel dat het niet gemakkelijk is. Iedereen beseft ook dat men het niet gemakkelijk heeft gemaakt! Het bestuur van een klein maar voortvarend land als het onze is middelerwijl een van de meest ingewikkelde staatsstructuren ter wereld geworden. Aanpakken dus!
Er is, na de teraardebestelling van ‘het Menu’, gelukkig weer licht aan het einde van de tunnel. De uittredende premier, de ‘Conventie’: ze krijgen hun kans om het land weer op de sporen te trekken. Doen!
En de Koning? Iedereen beseft nu wel wat hij betekent: de rots in de branding! De brallende voorstanders van de ‘ceremoniële functie’ staan er sprakeloos naar te kijken.
J.M.P.
5.12.2007
Opinie (10)
Borrelhapjes
Ze zijn nu opgediend en goedgekeurd, de borrelhapjes: meer ‘Vlaams’ verkeers(veiligheids)beleid, een ‘eigen’ vestigingswet en huurwet, een vereenvoudigd participatiefonds, integraal ‘Vlaamse’ sociale economie en landbouwrampenfonds. Het valt nu te bezien wat hiervan in de praktijk terechtkomt en wat het resultaat zal zijn. De ‘apenootjes’ van het verleden hebben Vlaanderen niet altijd behoed voor kommer en kwel.
De cruciale vraag is overigens: worden we er beter van? Het maandenlang geleuter over het Menu heeft alvast geen brood op tafel gebracht. De gewone Belg keek ernaar en is op zijn honger gebleven.
Sommige politici dromen blijkbaar van een groot Bruegeliaans festijn, een soort Vlaamse kermis waar de zotskappen het voor het zeggen hebben, de rijstpap nog met houten lepels gegeten wordt en tonnen bier worden aangerold. Aan de pinda’s en de borrelhapjes hebben ze duidelijk niet genoeg. Enkelen willen er nu zelfs niet meer aan meedoen en hebben de tafel verlaten om het verder verloop van het feestmaal vanop de sofa gade te slaan. Ze hebben ook aangekondigd dat ze slechts naar hun plaats zullen terugkeren als de ‘grote vis’ op tafel staat. Anderen dreigen ermee de feestzaal te verlaten en het gelag niet te betalen als de vis niet groot genoeg zou zijn.
Onder de feesttafel tikt een tijdbom, die afgesteld is tegen 21 juli. Symbolischer kan het niet, hoewel sommigen vorig jaar niet bleken te weten wat er die dag gevierd wordt...
Niemand - ook bij onze Franstalige landgenoten - betwist nog dat een aantal bevoegdheden in ons land beter aan de gewesten worden toevertrouwd. Iedereen weet dat overdreven centralisatie niet goed werkt. De tijd is wellicht rijp om dergelijke aanpassingen, waar nodig, door te voeren. Dergelijke staatshervorming mag echter niet uitmonden in volledige versnippering en chaos. Niemand is hiermee gediend.
De ervaring in de voorbije decennia heeft geleerd dat de toen reeds aangevangen regionalisatie niet steeds werkzaam was. Hierdoor zijn de gewesten overigens van langsom meer uiteengegroeid en van elkaar vervreemd. Deze fouten van het verleden moeten nu eveneens worden rechtgezet. Verbeteringen zoals de nationale kieskring kunnen ertoe bijdragen opdat alle Belgen, welke taal zij ook spreken, harmonisch zouden kunnen samenleven. Wellicht is een nuttige taak weggelegd voor de senaat als ontmoetings- en gespreksforum ten einde de symbiose en de synergie van de thans uiteengedreven gewesten te herstellen.
Iedereen weet inmiddels wat de extremisten precies beoogden met het hoofdgerecht tijdens de menu-besprekingen in Hertoginnedal: de splitsing van het land. Deze nauwelijks verholen machtsgreep is terecht op een sisser uitgelopen. De grote meerderheid van de bevolking rekent er nu op dat haar vertegenwoordigers, die instaan voor het voortbestaan van België, voluit gaan met en werk maken van een ‘nationaal project’ van harmonisering en solidariteit.
J.M.P.
28.02.08
Opinie (11)
Vlaamse Pyrrusoverwinning
De clash van 8 mei 2008 (jawel, V-dag, de herdenking van het einde van de Tweede Wereldoorlog in Europa) heeft in ons landje een Vlaamse Pyrrusoverwinning gebaard. Bijna symbolisch wees de klok in het parlement toen al 2.08 u. in de nacht en was de nieuwe dag reeds aangebroken. Een dag waarin België niet meer zou zijn zoals het altijd was. Het Belgisch pact was verbroken, het Belgisch model naar de vaantjes, het Belgisch compromis opgezegd.
8 mei 2008 heeft nogmaals aangetoond dat geruzie en afdreigingen ons niet vooruithelpen. Integendeel, hetgeen reeds verworven werd wordt nu weer in vraag gesteld.
De BHV-stemming heeft niet alleen de kloof en het wantrouwen tussen beide gemeenschappen nog vergroot, maar ook het vertrouwen van de bevolking in de politiek veel schade toegebracht.
Dames en Heren politici, de mensen zijn het beu! Allen die zoniet hebben bijgedragen, dan toch hebben toegelaten dat het zover zou komen, zijn schromeloos tekortgeschoten in hun taak. Zij hebben de wansmakelijkste vertoning ooit gegeven van het gebrek aan leiderschap en verantwoordelijkheidszin, dat zich in de loop der jaren in onze nationale politiek heeft ontpopt. Voor het eerst is een basisregel van de democratie niet gerespecteerd: democratie is niet enkel de macht van de sterkste, maar ook het respect voor de zwakste. In een land waar gemeenschappen samenleven, kan de ene zijn wil niet opdringen aan de andere. Wanneer dit democratisch principe niet wordt geëerbiedigd, leidt dit onvermijdelijk tot verzet, tot onbegrip, tot onvrede, tot burgeroorlog.
Er is hoop dat het niet zover komt, dat het ‘gezond verstand’ zal zegevieren. Een aantal ‘wijzen’ hebben reeds hun stem verheven, de Koning roept al jaren op tot eendracht en verstandhouding, de overgrote meerderheid van de bevolking wenst de instandhouding van België.
De vorming van nu al twee regeringen en de totstandkoming van een eerste pakket in de staatshervorming hebben aangetoond dat de gemeenschappen elkaar nog steeds kunnen ‘vinden’ en bereid zijn de weg van de samenwerking voort te zetten. Het is nu hoog tijd voor echt overleg en voor daden die de ganse bevolking, de beide gemeenschappen en de smeltkroes van culturen in ons land ten goede komen.
J.M.P.
10.5.08
Opinie (12)
Radicalisering, halverwege
D-day is blijkbaar in het collectief geheugen nagenoeg verloren gegaan. Op 6 juni 1944 hebben nochtans duizenden jonge soldaten van de geallieerde landingstroepen op de stranden van Normandië hun leven gegeven voor de bevrijding van West-Europa en het herstel van de democratie op het oude continent. Voor het eerst hebben de media dit jaar weinig of geen aandacht besteed aan deze historische gebeurtenis.
De Belgen hebben tegenwoordig blijkbaar andere zorgen aan het hoofd. Blijkens een opiniepeiling in Het Laatste Nieuws zouden 49,70% van de Vlamingen thans opteren voor de splitsing van het land. Nog slechts 45,70% wensen het behoud van België. Deze cijfers wijzen op een toenemende radicalisering van de publieke opinie. Het is overigens de eerste maal dat het aantal ‘separatisten’ dit van de ‘unionisten’ overstijgt.
Deze cijfers moeten natuurlijk met het nodige voorbehoud in overweging worden; het is al eerder voorgevallen dat de ‘voorspellingen’ niet bleken overeen te stemmen met de werkelijkheid. Niettemin bevestigen deze peilingen een waarneembare tendens. Wij schreven het al: de bevolking is de touwtrekkerij, het gekibbel, het gebrek aan staatszin, het immobilisme en het getalm van onze politici beu. De economische crisis en de vermindering van de koopkracht verhogen tevens de onzekerheid en het algemeen onbehagen.
Het is evident dat de huidige bewindvoerders, die aan de basis liggen van deze radicalisering, ter zake een grote verantwoordelijkheid dragen. De recentste opiniepeiling laat uitschijnen dat het geknoei van de hoofdschuldigen niet ongestraft zal blijven. De eerstvolgende ‘vervaldag’ mag omstreeks 15 juli verwacht worden, wanneer de premier een ‘verklaring’ van ‘de stand van zaken’, zowel op economisch als op communautair vlak, zal afleggen. Binnen zowat 40 dagen moet dus duidelijk worden waar we naartoe gaan. Nog één jaar scheidt ons van 7 juni 2009, de dag van de regionale verkiezingen. Wij zijn dus halverwege het tijdsbestek dat uitgetrokken was voor een demonstratie van ‘het goed bestuur’.
Sommigen pogen het voortbestaan van België in vraag te stellen met hun kritiek op het vorstenhuis, inzonderheid de kroonprins, en met hun verwijten over de ‘onbestuurbaarheid’ van het land, waaraan zij zelf schuld hebben. De bevolking zal niet in de val trappen en de natie niet in de chaos van de valse beloften laten verzinken.
J.M.P.
7.6.08
Opinie (13)
Het Ultimatum
Het (verwacht) fiasco van premier Leterme, in zijn poging om een ‘radicale’ staatshervorming tot stand te brengen, heeft ons land opnieuw een dreun toegebracht. De deadline van 15 juli, die hij zichzelf had gesteld, heeft hij niet eens gehaald. Zijn ontslag werd hem door de hardliners van zijn eigen partij en vooral van zijn kartelpartner als ’t ware opgedrongen. Zijn ultiem voorstel om de gemeenschappen in de geplande staatshervorming te betrekken was nochtans door zijn coalitiepartners én door een belangrijk deel van de oppositie gunstig onthaald. Eens temeer werd hij in hoofdzaak door zijn eigen achterban teruggefloten.
De ontslagnemende premier heeft Koning Albert opnieuw de kastanjes uit het vuur laten halen. Na een drietal dagen beraad heeft deze evenwel zijn ontslag geweigerd, zodat de regering gewoon haar werkzaamheden kan voortzetten. De premier mag dus aan zijn zijde het 21 juli-defilé in ogenschouw nemen. Hij kreeg van de vorst wel de bijzondere opdracht mee de ‘institutionele dialoog’ maximaal te bevorderen. Ingaande op zijn wensen stelde de koning meteen ook drie ‘bemiddelaars’ uit het frans- en duitstalig landsgedeelte aan, om het terrein te ‘ontmijnen’ en het pad te effenen.
Deze nieuwe ontwikkeling in het communautair debat toont, voor zover nog nodig, de belangrijke rol aan die de vorst in dergelijke uiterst moeilijke omstandigheden daadwerkelijk vervult. De voorstanders van een louter ceremoniële functie voor het staatshoofd dienen zich hierop wel even te bezinnen.
De drie bemiddelaars, de Donea (MR), Langendries (cdH) en Lambertz (PS) krijgen voor deze taak tijd tot einde juli. Of ze werkelijk in hun opdracht zullen (kunnen) slagen, valt af te wachten. Verklaringen van enkele spilfiguren uit het CD&V - N-VA-kartel geven te verstaan dat deze nieuwe deadline als een ultimatum moet aangezien worden.
De aanduiding van de drie bemiddelaars toont evenwel aan dat het communautair discours wordt opengetrokken tot een dialoog tussen de gemeenschappen. De kans is reëel dat wij op die manier zouden afglijden van een federale naar een confederale staat. Dit zou op termijn de totale ontmanteling van de nationale eenheid tot gevolg kunnen hebben. Deze ontwikkeling zou nog meer vervreemding, nog meer gezanik, nog meer onenigheid, nog meer twistpunten, nog meer nodeloze herrie tot stand brengen. Waartoe dit ons uiteindelijk nog leiden kan, staat in de sterren geschreven.
Het is best mogelijk - maar helemaal niet zeker - dat de gemeenschappen, met meer bevoegdheden en macht, garant zullen staan voor ‘beter bestuur’. Dit valt hoe dan ook nog af te wachten. Het staat echter als een paal boven water dat confederalisme aanleiding zou geven tot nog meer touwtrekkerij en conflicten. Als de ‘deelstaten’ in het land het voor het zeggen krijgen, leidt dit wellicht tot nog meer wedijver en confrontatie en dreigt vroeg of laat de finale clash. Men hoeft zich geen illusies te maken: de separatisten zullen nog een grotere mond opzetten en nog meer stokken in de wielen steken, met als voornaamste doel: België doen barsten.
Onze politici spelen thans met vuur. Meer dan ooit is bedachtzaamheid geboden, om de eenheid van het land te handhaven. Tegenover elke vorm van confederalisme dient een stevig bolwerk te worden opgetrokken om de kostbare en noodzakelijke eenheid van het land te vrijwaren. De oprichting van een nationale kieskring (zie Opinie 4), die borg staat voor de inspraak van alle inwoners van het land, is een absolute vereiste. Een aantal bevoegdheden, die feitelijk niet thuishoren bij de gemeenschappen, dienen te worden teruggegeven aan het nationaal niveau. De verankering van de gewesten in ’s lands bestuur dient krachtig bezegeld te worden.
Het ziet er voorlopig niet rooskleurig uit. Wonder boven wonder, de economie in het land houdt, ondanks de benarde financiële toestand, nog kop boven water. Er is reeds ontzaglijk veel tijd verloren maar wellicht komt het uiteindelijk toch nog allemaal goed, zeg maar met een Belgisch verstandig ‘compromis’.
J.M.P.
19.7.08
Opinie (14)
Een nieuwe start
Het licht daagt aan de uitgang van de donkere tunnel. De eindeloze palavers, de vele maanden van onzekerheid en wantrouwen, de smeltkroes van besluiteloosheid en schaamteloze beloften zijn voorbij: een (ver)nieuw(d)e regering, Van Rompuy I, gaat van start.
De breuk van het kartel CD&V en NVA, dat tot stand gekomen was uit machtshonger, op grond van een verraderlijk eedverbond, had reeds op 22 september voor het (verwachte) keerpunt gezorgd; premier Leterme die plots met een diepe internationale crisis geconfronteerd werd, was toen net op tijd overstag gegaan maar is nu in al zijn ijver toch gekapseisd...
Een andere CD&V-er, Herman Van Rompuy, staat thans, na wat aandringen, aan het roer. Deze gewezen Kamervoorzitter wil het, niettegenstaande zijn team nagenoeg ongewijzigd gebleven is, over een andere boeg gooien. In zijn opmerkelijke 'regeringsverklaring' betracht hij niet enkel het geschonden vertrouwen aan boord en de stabiliteit van het schip te herstellen maar op de eerste plaats het land doorheen de woelige waters van de bancaire en economische crisis te loodsen en het broodnodige herstelplan ten uitvoer te brengen. Dat sommigen hem denigrerend bij de 'oude krokodillen' rekenen, hoeft hem niet te deren. De wijsheid komt meestal met de jaren.
Zonder veel poeha noch onuitvoerbare beloften en onhaalbare ultimatums wil hij inmiddels de gemeenschapsdialoog heropstarten met het oog op een efficiënte staatsstructuur. Kortom: “Het land moet bestuurd worden, zegt hij.
De kordate maar zakelijke aanpak die hij in het vooruitzicht stelt steekt schril af tegen het holle gebazel dat we sedert geruime tijd doorgaans te horen kregen. Blijkbaar krijgt ons land weer een wijze en nuchtere leider, die de touwtjes in handen wil nemen. De reacties van de regeringspartijen lijken hoe dan ook positiever dan wat totnogtoe meestal het geval was. De oppositie leek, zoals te verwachten, minder entoesiast. Toch zou ook zij dienen te beseffen dat het land dringend behoefte heeft aan stabiliteit. Zonder de regering enig krediet te gunnen is dit niet mogelijk. Het parool is nu: alle hens aan dek! De meerderheid is het cynisme, het sarcasme, de afbraakpolitiek en de oeverloze ‘kritiek aan de kant van de weg’ hartsgrondig beu. Zij staat voor een open, solidaire, verdraagzame en constructieve maatschappij. Weliswaar is ook overdreven optimisme uit den boze: er liggen nog heel wat voetangels en klemmen onder het frisse gras.
Eens te meer hebben we kunnen vaststellen dat de rol van Koning Albert als scheidsrechter en moderator midden de stormen van de laatste maanden essentieel en onontbeerlijk is geweest. Dit was alvast een vingerwijzing voor diegenen die het staatshoofd in de toekomst een louter ceremoniële rol wensen toe te bedelen.
J.M.P.
31.12.08
Opinie (15)
De President
De consensus van de 27 regeringsleiders om Herman Van Rompuy als de eerste president van
Europa aan te duiden is een welkome opkikker voor ons Land en vervult alle Belgen met
vreugde en fierheid.
Deze historische keuze hebben wij ongetwijfeld te danken aan de voortreffelijke prestaties
van onze premier in de hachelijke financiële en communautaire omstandigheden tijdens zijn
relatief korte regeringsperiode. Met ‘rustige vastheid’ heeft hij, als een ervaren kapitein, zijn
vaartuig doorheen de stormen en voorbij de klippen naar veiliger wateren geloodst; hij is er
tevens in geslaagd de reeds tientallen jaren aanslepende problemen inzake de herziening van
onze staatsstructuren enigszins te ontmijnen en vooral de door een stelletje extremisten tegen
elkaar opgejutte gemeenschappen van ons Land te bedaren. België werd op zeker ogenblik op
internationaal niveau nochtans als een van de moeilijkst te besturen landen aangezien; dat Van
Rompuy, na twee jaar onrustwekkende instabiliteit, erin gelukt was het evenwicht, het
vertrouwen en de rust te herstellen, was de Europese leiders niet ontgaan; geen wonder dat zij
nu een beroep doen op onze premier om de eenheid, de samenwerking en de
besluitvaardigheid van het oude continent aan te zwengelen en zo mogelijk tot stand te
brengen.
Herman Van Rompuy is niet enkel, zoals Europees commissaris Van Gucht het verwoordde,
een ‘sluw en behendig politicus’, maar ook een wijs en gedreven man. T.o.v. de Europese
regeringsleiders heeft hij reeds de dag van zijn aanstelling, de toon gezet en duidelijk te
kennen gegeven wat hij in zijn mars heeft. ‘Drie golven rollen samen de haven binnen, zij zijn
samen aangekomen’ is meer dan een vleugje retoriek of een snuifje lyriek. Zijn haiku is de
samenvatting van een hele levensvisie, het diepe inzicht en de vaste wil om het gestelde doel,
de eenheid en de samenwerking, te bewerkstelligen.
Iedereen van ons heeft ooit van op een der staketsels aan onze kust, hetzij te Oostende, te
Blankenberge of te Nieuwpoort, het wonderbare schouwspel gadegeslagen van de golven die,
god weet vanuit welke verre zeeën, de havenmonding bereiken en gezamenlijk het land
binnenvloeien. Dit aangrijpend moment van vereniging en verzoening kan geen enkel
kustbewoner, geen enkel toerist onberoerd laten. Dat Van Rompuy dit diepzinnig beeld in
enkele eenvoudige woorden aldus tot leven brengt, is minstens even begeesterend als de
gevleugelde uitspraak van Barack Obama: ‘Yes, we can’.
Het is echter (nog) niet de tijd om hoog van de toren te blazen. Zeker, de aanstelling van
Herman Van Rompuy zal er ongetwijfeld toe bijdragen om het gehavend imago van België op
wereldvlak wat op te kalfateren. Het echte werk, ook in ons eigen landje, moet nog beginnen.
Het mag niet zijn dat wij vanuit de ‘rustige vastheid’ (of zou het ‘vastberadenheid’ zijn?) weer
in de onzekerheid en de instabiliteit belanden. Deze keer màg het, onder de hoede van onze
Koning en nu ook van ‘onze’ Europese President, niet mislukken!
J.M.P.
21.11.09
Opinie (16)
De boodschap
Het crisisjaar 2009, dat zoveel onzekerheid, ellende en menselijk leed meebracht, eindigt toch
nog in hoop. De economische en financiële toestand lijkt zich enigszins te stabiliseren, de
feitelijke tewerkstelling is in België procentueel minder afgenomen dan in de meeste andere
Europese staten. Het imago van ons land dat door het voortdurend politiek gekibbel, de
diverse regeringswissels en het stuntelig optreden van sommige regeringsleden zware klappen
had gekregen, is dank zij het standvastig wijs beleid van premier Herman Van Rompuy weer
enigszins opgepoetst. Diens indiensttreding op 1 januari 2010 als eerste president van Europa
is daarvan het klinkend bewijs.
Terwijl de naweeën van de wereldwijde crisis nog voor heel wat onheil kunnen zorgen, doemt
in ons land nu weer het spook op van de communautaire spanningen. Iedereen beseft nu
nochtans dat de Belgen het oeverloos gehakketak over Brussel-Halle-Vilvoorde best kunnen
missen als de pest. Een akkoord - zeg maar een compromis - hieromtrent moet nu eindelijk
uit de bus komen, zo niet dreigt het land onbestuurbaar te worden. De gemeenschappen lijken
de laatste maanden wel degelijk wat naar elkaar toegegroeid te zijn maar sommigen pogen
alweer, louter uit kortzichtig eigenbelang, stokken in de wielen te steken. Niemand kan
geloven dat de vertekende kaart van de Nederlanden, waarop Wallonië gewoon werd
weggeveegd en waarop Brussel zowat halverwege tussen de taalgrens en Antwerpen werd
gelokaliseerd, zomaar een “vergissing” van een overheidsdienst was...
Onze Koning heeft alweer de hete kastanjes uit het vuur moeten halen. Op subtiele maar
kordate wijze heeft hij bovendien in zijn jaarlijkse kerstboodschap de politici op hun
verantwoordelijkheid gewezen. Hij maande hen aan de “verscheidenheid en uiteenlopende
standpunten tussen de bevolkingsgroepen” in ons land te overbruggen. Hij verwees hierbij
naar de Europese eenwording, waarin België een voortrekkersrol heeft gespeeld. “Het zou ons
aan geloofwaardigheid ontbreken mochten wij de lidstaten aansporen hun tegengestelde
standpunten te overstijgen als wij daar in ons land niet in slagen, zo betoogde hij. Koning
Albert rekent er alvast op dat met name de regering-Leterme hierin zal slagen.
Van zijn kant heeft (toekomstig) eerste permanent voorzitter van de Europese Raad Herman
Van Rompuy in een interview zijn bezorgdheid te kennen gegeven over de mateloze en
ongebreidelde overschrijdingen van de sociale en culturele “normen” in het openbaar levcn en
in de media. De vulgariteit en de platvloerse woordenkramerij, meer bepaald op sommige
(zelfs door de overheid bekostigde) TV-zenders, lopen inderdaad de spuigaten uit. Men hoeft
geen moraalridder of aartsconservatief te zijn om zich hieraan te ergeren. Het België en het
Europa van morgen worden wat wij allen er nu van maken.
J.M.P.
30.12.09
Opinie (17)
Schoon Schip
Het ‘Belgisch compromis’ van koninklijk opdrachthouder en oud-premier Jean-Luc
Dehaene mocht niet baten. Ultieme pogingen tot toenadering en een redelijk vergelijk
mondden alweer uit in uitvluchten en zinloos getalm. Toen de vooropgestelde deadline
tot tweemaal toe werd overschreden, was het welletjes en werd de stekker
uitgetrokken.
De val van de regering Leterme II maakte een einde aan een lange periode van
instabiliteit, palavers, gebazel, onwil, besluiteloosheid en onmacht. Nooit eerder kwam
ons Land terecht in een zo diep moeras van wantrouwen, onzekerheid,
onverzoenlijkheid. Sommige commentatoren gewaagden openlijk van een nakende
‘regimecrisis’. Heethoofden en extremisten voorspelden reeds het definitieve ‘failliet’
van België.
De parlementaire verkiezing op 13 juni 2010 stelt alle landgenoten voor de fundamentele keuze: met welk soort schip willen we verder varen?
Na drie jaar ploeteren en zwalpen is nagenoeg iedereen het erover eens: zo kan het
niet langer. Zelfs over de taalgrens, waar de politici (vooral wegens het gestook van
sommige Vlaamse heethoofden) beducht waren voor welke koerswijziging dan ook, is
men tot het besef gekomen dat een grondige staatshervorming noodzakelijk geworden
is.
De kernvraag wordt nu: blijft België een eendrachtige federale staat of vormt het een confederatie m.a.w. een statenbond? Over de precieze betekenis van beide concepten heerst er hoe dan ook nog heel wat onduidelijkheid en verwarring. In de huidige staatsvorm overwegen (in principe) het overleg, de verstandhouding, de samenhorigheid en samenwerking, kortom de eenheid van het land; in een confederale staat zijn de partners onafhankelijk, gaan ze elk hun eigen weg maar doen nog enkel samen wat hun goed uitkomt: kortom, het wordt een scheiding van tafel en bed.
Diverse onderzoeken hebben uitgewezen dat de overgrote meerderheid van de bevolking voorstander is van het voortbestaan van de Belgische entiteit. Zij beseft wel degelijk dat België een van de welvarendste landen ter wereld is, waar de vrijheid, de democratie, het recht, de solidariteit hoog in het vaandel prijken, waar het goed is te leven; een land ook dat op velerlei gebied - kunst, wetenschap technische vooruitgang - hoge toppen scheert. Vele generaties hebben - in oorlog en ontij - bijgedragen om België, waarin wij thans het geluk hebben te leven, tot stand te brengen. Zouden de Belgen - die door Julius Caesar in zijn ‘De bello Gallico’ tweeduizend jaar geleden reeds ‘de dapperste van de Galliërs’ genoemd werden - dit rijke erfgoed zomaar overboord gooien?
Sommige politieke partijen, die nochtans ronduit voor het voortbestaan van Belgiê uitkomen, spelen met vuur door te pleiten voor een ‘confederatie’, waarin de nationale solidariteit zou bewaard blijven. Dit voorstel is gewoon een ‘contradictio in terminis’ en enkel hooi op het vuur van diegenen die België eigenlijk willen splitsen en opdoeken. Bovendien bekenden sommige separatisten openlijk en onomwonden dat een confederatie voor hen enkel een springplank is naar Vlaamse onafhankelijkheid. Alsof men eerst het schip tot zinken moet brengen vooraleer met een roeiboot verder te varen. Men hoeft zich overigens geen illusies te maken: na jarenlang touwtrekkerij rond ‘confederatie’ zouden wij gedoemd zijn tot nog vele jaren geruzie en ambras rond ‘indépendance’. Wie zit er te wachten op een bananenrepubliek?
Genoeg gesjoemel, gedaan die spelletjes, komaf met dat geleuter. Niet aarzelen, niet aan de kant gaan staan. Gewoon: doen! Het beslissend moment is gekomen om schoon schip te maken en België een nieuwe kans te geven.
J.M.P.
31.05.10
Opinie (18)
<Surrealistisch!>
De TV-kijkers hebben Bart De Wever zelf, een paar dagen voor de verkiezingen, tot tweemaal toe het woord horen grommen. Toen hij toestapte op de meute journalisten, fotografen en cameralui die hem stonden op te wachten, kon hij zijn verbazing blijkbaar niet meer in bedwang houden. Ogenschijnlijk had hij dergelijke opdringerige belangstelling van de internationale pers niet verwacht. Hij had hen nochtans, naar eigen zeggen, zelf uitgenodigd om hen diets te maken dat hij België geenszins wou uiteenscheuren en dat het allemaal niet zo’n vaart zou lopen.
Hij deed wel degelijk zijn best om in alle talen de gemoederen te kalmeren, maar niemand geloofde hem. De Belgen die hem al een hele tijd aan het werk hebben gezien, weten ook wel beter. Het streven naar de Vlaamse onafhankelijkheid staat wel degelijk in het basisprogramma van zijn partij en hij heeft deze eindbetrachting ook in de laatste maanden nog herhaaldelijk bevestigd. Of hij dit nu onmiddellijk of trapsgewijze wil tot stand brengen doet er eigenlijk weinig toe. Hoe dan ook zullen het ‘verrottingsproces’ en de ‘verdampingspolitiek’ het land en zijn bevolking onnoemelijke schade berokkenen.
De spontane uitlating ‘Surrealistisch!’ van De Wever, bij het vaststellen van de heftige beroering die zijn ambities en plannen zelfs in het buitenland verwekten, laat uitschijnen dat hijzelf geschrokken was van de verstrekkende gevolgen van zijn strategie en tevens niet ten volle bewust was van zijn grote verantwoordelijkheid; hij gaf op die manier immers te kennen dat de internationale bezorgdheid over het voortbestaan van België overdreven of ongegrond was; hij poogde nadien overigens de perslui hiervan te overtuigen door openlijk verklaringen af te leggen die volkomen tegenstrijdig waren met hetgeen hij voordien steeds voor binnenlands gebruik had verkondigd.
Desalniettemin heeft Bart De Wever zijn ultranationalistische partij een monsteroverwinning bezorgd. Het staat nochtans vast dat vele kiezers op die manier vooral hun wrevel tegenover de politiek in ’t algemeen en de handelwijze van sommige politici in ’t bijzonder hebben te kennen gegeven; hun stem was vooral een uiting van protest, een signaal van onvrede, een oproep tot verandering, ja zelfs een publieke afstraffing van het gevoerde wanbeleid. Heel wat gezagsdragers die het wellicht nochtans goed menen met dit land en zijn bevolking, hebben jarenlang schromeloos gefaald. Zij hebben uit onkunde of uit enge partijpolitieke overwegingen de noodzakelijke dialoog belet of gehinderd en de hoognodige aanpassingen van de staatsstructuur gedwarsboomd; ze hebben ook nagelaten de samenhorigheid door het instellen van een nationale kieskring te verstevigen.
De traditionele partijen hebben bovendien, zeker tijdens de kiescampagne, onvoldoende duidelijkheid geschapen over de gevolgen van een extremistische koerswending die nochtans, o.m. wegens de overdreven mediahype, voorspelbaar was en tevens herhaaldelijk in de opiniepeilingen aan het licht werd gebracht. De stugge houding en het onbegrip van sommige politici in het zuiden van het land hebben in ruime mate bijgedragen tot de tweedracht en de vertrouwensbreuk.
Hoe het nu verder moet is alsnog onduidelijk. Eén zaak staat nagenoeg vast: de pogingen van de ‘nieuwe orde’ om een stabiele regering tot stand te brengen, laat staan om haar doelstellingen aan de natie op te dringen, zijn tot mislukking gedoemd. De overgrote meerderheid van de Belgen weigert de splitsing van het land, zo ver is duidelijk. Zelfs als de extremisten, mits grote toegevingen - die ze totnogtoe steeds geweigerd hebben -, erin slagen in beide landsgedeelten aanvankelijk voldoende ‘bondgenoten’ te vinden, dan nog zal deze fundamentele tweespalt vroeg of laat tot onoverkomelijke moeilijkheden en een breuk leiden. De kans is groot dat we eerlang opnieuw in een impasse geraken en dat alles dan te herbeginnen valt. De sociale, economische en financiële schade die ons land intussen hierdoor zal lijden, is niet te overzien.
Het positieve van het verhaal is evenwel dat de bevolking en de politici aan beide kanten van de taalgrens nu toch eindelijk - zo hopen wij althans - beseffen dat een evenwichtige staatshervorming ‘zonder verwijl’ hoogst noodzakelijk is. Mogen de échte staatslieden, in deze cruciale dagen voor het voortbestaan van ons land, nu hun verantwoordelijkheid opnemen!
J.M.P.
14.06.10
The Pianist
Bij de aankondiging van ‘The Pianist’ op 13 december 2005 op Canvas meldde de presentator dat deze film niet geschikt was voor personen onder de 16 jaar.
|
Deze aanmaning leek mij hoogst verwonderlijk. Weliswaar bevatte het oorlogsdrama van Roman Polanski (een coproductie uit 2002 van Duitsland, Frankrijk, Groot-Brittannië, Nederland en Polen) gruwelijke beelden van de holocaust in het getto van Warschau, de joodse opstand, de deportaties en de concentratiekampen; deze verfilming geschiedde echter op grond van historisch onweerlegbare feiten. Daarenboven werden de gebeurtenissen in de prent zeker niet eenzijdig of ongenuanceerd weergegeven. Het hoofdpersonage, ‘pianist’ Wladyslaw Szpilman (Adrien Brody), overleefde de gruwel zelfs dank zij de hulp van een medelijdende ‘collaborateur’ en de meedogendheid van een Duitse officier.
|
Terwijl de meeste tv-programma's onbeschroomd dagelijks een stortvloed van ongebreidelde seks en mateloos geweld op de jeugd loslaten, acht Canvas het nodig dezelfde jeugd aangrijpende beelden van een authentieke volkerenmoord ´n een hoopgevend signaal van diepmenselijk begrip te ontzeggen.
Uw contactlijn
Wellicht zet deze website u aan tot enige commentaar, aanbeveling of kritiek.
Wat het ook zij, uw reactie is welkom op ons e-mailadres: 
U kunt hiervoor ook ons 'Gastenboek' aanwenden. Klik hier om ons gastenboek te openen.
Misschien hebt u nu al beslist de verdere uitbouw van deze webstek te volgen.
U kunt het zich gemakkelijk maken door deze naam toe te voegen aan uw favorieten.
Wil u weten wanneer deze site geüpdatet wordt? Geen nood! Bezorg ons uw e-mailadres, wij zullen u telkens tijdig en persoonlijk verwittigen.
U kunt ons ook een dienst bewijzen: vertel uw vrienden over uw bevindingen bij de eerste kennismaking met onze website; bezorg ze eventueel ons webstekadres. Waarvoor dank!